donderdag 26 januari 2012

... en hij zette zijn vork in een molshoop

Eén van de meest bekende weidebloemen is ongetwijfeld de paardenbloem - geen typisch Zeeuwse plant maar wel een plant, die ik me herinner van mijn vroegste jeugd. Het moet, denk ik, één van de eerste bloemen geweest zijn, die ik op naam kon brengen. Als peutertje, opgegroeid in de Zak, zal de Latijnse naam me niet genoemd zijn en ik twijfel sterk of het woord paardenbloem bij mijn eerste duizend woorden zat, die ik kende. Nee, een Zuid-Bevelandse kleuter had het niet over paardenbloem, maar over een pisseblomme. Als kleuter moet dat heerlijk geweest zijn om ongestraft zo’n lekker vies woord te mogen uitspreken zonder dat je op je kop kreeg. Natuurlijk zorgde dat ook wel eens voor spraakverwarringen als tantes of neefjes uit andere delen van Zeeland het hadden over beddepissers of bedde- of paerdezêêkers. Die mooie gele bloemen manifesteerden zich in het vroege voorjaar als een bladplant, die al vroeg in het voorjaar weer ging groeien. Ik heb me laten vertellen dat die jonge blaadjes een delicatesse waren, maar dan moest het wel de pech ( of het geluk) gehad hebben dat hij precies onder een molshoop probeerde het licht te bereiken. De jonge blaadjes waren dan nog mals en doordat ze nog geen licht hadden ontvangen van de zon, bleek wit van kleur, zoals witlof of asperges. Het schijnt dat de molsla vooral door stedelingen gegeten werd als een soort delicatesse, met eieren en zure saus ..........ieder z'n meug, zie de boer .......... en hij zette zijn vork in een molshoop.
Als de blaadjes gewoon opgroeiden op een open stuk grond of in een weiland dan vormden de bladeren een rozet die we melkriet of melkwiet noemden en, zo vertelde mijn vader, eigenlijk het beste gedijen als er veel op gelopen of gereden werd. Als kind ontging me die logica, maar ik nam het voor waar aan en dus probeer ik nog steeds niet op de planten te trappen.
De botergele bloemen waren een lust voor het oog, vooral als er een weiland vol mee stond - of de boer er zo blij mee was, betwijfel ik, want waar zo'n rozet groeit, daar groeit geen gras en de dieren leken me er ook niet happig op - toch schijnt paardensla, zoals de plant ook wel genoemd werd, gebruikt als veevoer.
De bloemvruchten, de pluizenbol was ook iets wat fascineerde - als je hard blies dan vlogen de parachuutjes weg om zo de zaadjes ergens verderop neer te laten komen en je zorgde er voor, als onderdeel van de schepping, mee aan de instandhouding van de soort.

Mijn moeder was niet altijd blij als we een paardenbloem aftrokken, want uit de holle stengel kwam een witachtige soort melk, die plakte en snel bruin werd aan je vingers - als dat op je kleren kwam kreeg je de wind van voren. Toen ik later last had van een wrat op mijn hand, leerde mijn oma me om er wat melk van de paardenbloem op te doen en inderdaad was de wrat een paar weken later verdwenen. Of dit door de paardenbloemmelk kwam of gewoon een natuurlijk proces was, vroeg ik me niet af - ik wist het zeker - dat was gekomen door de paardenbloemmelk die ik van mijn oma er op moest doen - mijn oma was heel oud en lief en had zilverwit haar en in sprookjes gebeurden immers ook zulk soort wondertjes die niet uitgelegd konden worden? (Zak van Zuid-Beveland)(foto's: januari 2010 - april 2011)
Hans Koert
slikopdeweg@live.nl
Twitter: #slikopdeweg

SlikopdeWeg: De dagelijkse Zeeuwse column over de Schelderegio.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen