donderdag 23 februari 2012

Bedorven lucht

Toen het onlangs weer eens echt winterde, moest ik denken aan de Kou (sic), zoals die vroeger nog met een hoofdletter geschreven werd. We zijn gewend geraakt aan een lekker warm huis, goed geïsoleerd en met weinig onderhoud aan de kachel - dat was tot de jaren zeventig van de vorige eeuw wel anders. Het huis werd toen meestal slechts verwarmd in één, hooguit twee kamers - in de woonkamer stond een kolenkachel en verder, hooguit, een potkacheltje in't stoepenkot waar gekookt en de was gedaan werd en waar je op zaterdag een teil heet water wachtte met ernaast een brok Sunlightzeep. Eenvoudige boerengezinnen kropen dan in de winter ook samen in zo'n benauwd lokaal verwarmd stoepenkot of schuurtje, zoals onder naaste buren - een ongetrouwde broer en zus. Zij leefden zomer- en winter in het stoepenkot - in het huis kwamen ze, zeker in de winter, haast nooit. Op andere boerderijen was er hooguit één ruimte cq. kamer waar gestookt werd. Verder in het huis, inclusief de slaapkamers of ruimten met de bedsteden, was de temperatuur niet veel hoger dan buiten. Kou dus en ijsbloemen op de ramen.
De kolen, antraciet, werd aan huis bezorgd door de kolenboer, die met een vrachtwagen de zware zwarte zakken afleverde en in het kolenhok kieperde. Zo'n kolenboer zag naar zijn werk en als kind wist ik zeker dat zo iemand nooit meer echt schoon te krijgen was - in elke rimpel glinsterde wel kolengruis - voor mij een reden om voorzichtig te zijn met heel vuil worden, een principe dat ik nog steeds koester. Als kind moest je een paar keer per dag de kolenkit gaan vullen, een zwarte ijzeren bak en het was de kunst om die met een handige zwieper in één keer vol te krijgen - anders leek je wel wat op de kolenboer en dat werd natuurlijk door je moeder niet in dank afgenomen.
De meeste boerenhuizen hadden, behalve een woonkamer/-keuken ook een mooie kamer, een pronkkamer. Hier stond een kabinet met het mooie servies, fauteuils ( en zo'n hoge wiebelasbak, die niet kon omvallen), waar je diep in wegzakte en een tafel met een pluchenkleed. Hier kwam je alleen bij verjaardagen, bruiloften of begrafenissen of andere hoogtijdagen, waarbij dan de kachel aangestoken werd. In de jaren zestig woonden we niet in een boerderij, maar in een gewoon rijtjeshuis - ook wij hadden een voorkamertje, dat normaal gesproken, in de winter, afgesloten was - een no-go area. Het voelde en rook altijd een beetje spannend en typisch als op zondag of bij feestdagen daar de kachel aan ging.

Die kilheid in huis, die ijsbloemen op de ramen, die geluiden 's morgens vroeg als je vader of opa de kachel opporde in de hoop en verwachting dat er nog vuur in de kooltjes zat, zijn latent aanwezige herinneringen, die weer boven komen als het buiten wintert. In de Hoeve van der Meulen bij 's Heer Abtskerke is zo'n oud boerenhuis weer volledig ingericht inclusief een mooie kamer. Nou heb ik nog niet zoveel jaarringen, dat ik de jaren dertig herinner, maar de sfeer die er hangt doet aan de jaren zestig denken. Wie daar rondloopt zal tegenwoordig moeite moeten doen om die sfeer van vroeger weer op te roepen - die somberheid, die kleinburgerlijkheid, die overal doorheentrekkende kilte en die bedompte muffe geur die hoorde bij zo'n langdurig afgesloten kamer ....... het zou mooi zijn als ze nog eens een spuitbus uitvonden zou worden, waardoor je ook die herinneringen weer kunt oproepen ............die melange van stof, CO² en bedorven lucht.
Hans Koert
slikopdeweg@live.nl
Twitter: #slikopdeweg
SlikopdeWeg: Een (v)luchtige column over Zeeland en haar bewoners.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen