zondag 4 maart 2012

Goud uit Zout

Het oudland van Zuid-Beveland is nog te herkennen in de twee drassige natte gebieden, de Poel ten zuiden van Goes en de Yerseke- en Kapelse Moer ten oosten van de stad. Het eerst genoemde gebied is eind vorige eeuw herkaveld, maar heeft haar ruimte, haar leegte na al die eeuwen behouden - de Moer tussen Kapelle en Yerseke is in de 19de eeuw doorsneden door de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland, een weliswaar belangrijke verbindingsweg tussen Rotterdam en Antwerpen en Gent, maar wel een litteken in het landschap, waardoor het oudland nu gesplitst is in twee schijnbaar losse wetlands: De Kapelse- en de Yerseke Moer.
Het gebied moet meer dan 1000 jaar geleden als een schorrengebied zijn ontstaan. De zee overspoelde het gebied tweemaal per dag met een vers laagje klei, totdat de opwas zo hoog werd, dat dit alleen nog maar bij springvloed gebeurde. Er zullen in die tijd alleen wat herders rondgezworven hebben, die bij extreem hoogwater hun schaapjes op een hoger gelegen punt in veiligheid brachten. Monniken zagen er op een gegeven moment brood in om het gebied te beschermen tegen het water, door een dijkje, zodat er voorzichtig met wat akkerbouw gestart kon worden.
De eeuwenlange dagelijkse overstromingen en de groei van schorrenplanten, hadden behalve een vruchtbaar kleilaagje, ook voor een laag veen gezorgd, doordrenkt met zout en voor de middeleeuwers was zout gelijk aan goud. Peperduur was een woord zonder betekenis - Zout als goud .... zou voor deze streken een betere uitdrukking zijn.

Grotere kaart weergeven

Zout was dan wel een luxeproduct; het zout uit het veen zien te halen was hard werken en bittere noodzaak om in het levensonderhoud te kunnen voorzien, gelet op de vele misoogsten en hongersnoden in dit natte drassige verzilte stuk delta. De bewoners waagden zich het moerassige gebied binnen via de oude kreken, waar zwaarder sediment, zand, was blijven liggen en het veen was weggespoeld. Deze kreekruggen kronkelden door het landschap en geven ook nu nog een welkom fundament voor de weggetjes in het gebied.
De klei werd weggehaald en terzijde gelegd op legakkertjes. Het verzilte veen werd opgegraven en via de kreekruggen naar plekken gebracht waar grote ketels gevuld werden met de bagger om het vocht te laten verdampen, waardoor een zoutachtige substantie overbleef, dat gezuiverd, zout opleverde.
In het Gravensteen in Zierikzee is een prachtig schilderij die deze zoutwinning, de moernering, mooi laat zien. Het gebied heeft aan deze moernering haar naam te danken, maar ook het hobbelige oppervlak van de nog aanwezige weilanden - het hollebollige landschap. Als het zout was uitgegraven werd het gebied aan haar lot achtergelaten en ging er over de legakkers en veengaten gras groeien, zonder het oppervlak weer in de oude staat te herstellen, vandaar dat de weilanden er nu na 1000 jaar nog steeds hollebollig uit zien.
Het moeren werd in de middeleeuwen verboden, omdat het uitgraven de dijken verzwakten, waardoor in die tijd tientallen overstromingen en dijkvallen te melden zijn - De zoutwinning ging echter door, dankzij import van zilte grond van elders, die in zoutketen, o.a. in Goes en Zierikzee, tot zout gedestilleerd werd. Goud uit Zout. Dan doen ze vlakbij in Yerseke overigens nog steeds: Goud uit Zout maken, te zien aan de kapitale villa's van de oester- en mosselboeren .....
Hans Koert
slikopdeweg@live.nl
Twitter: #slikopdeweg


SlikopdeWeg: Een dagelijkse blik op Zeeland en haar bewoners

1 opmerking:

  1. Geweldige afbeeldingen.. waar haal je ze in vredesnaam vandaan.. Groet
    Piet

    BeantwoordenVerwijderen